Een zacht ín- en aandringende wil.

De vrije wil is een omstreden fenomeen.
Volgens de laatste wetenschappelijke inzichten bestaat er niet zoiets als de ’vrije wil’, iets wat Spinoza eeuwen geleden al betoogde en onderbouwde.

Voor Spinoza was het hoogst haalbare: het verkrijgen van intuïtieve kennis over de Natuur en hoe de wil daarbinnen én in ons leven doorwerkt.

Er is vrijheid in zoverre je de noodzakelijkheid ziet van wat er gebeurt en in hoeverre je je daarin kunt voegen en ernaar kunt handelen.

Wat dit betreft komen Spinoza en Boeddha – maar ook Lao Tze bijvoorbeeld – tot een gelijke conclusie: de eerste stap tot een waardig, heilzaam en gelukkig leven bestaat uit het het opheffen van onwetendheid en zien hoe ‘Het’ werkt.

Hoe zit het dan met wilskracht?
Als Boeddha zijn gehoor uitlegt wat de juiste inspanning is om uit onheilzame gedachten, emoties, gevoelens, en stemmingen te komen, of ze te voorkomen, zegt hij dat zo:

‘Je spant je daartoe in, je maakt je daartoe sterk, je legt je geest erop toe, je neemt het je voor.’

Vaak associeren we Boeddha met de glimlach, met ontspanning, rust, een houding van ‘alles is ok’. Maar hier zegt hij in vier verschillend formuleringen toch ook wat anders!

Soms raken we dan in de war omdat je in allerlei meditatie cursussen  – ook bij ons – leert om je juist niet teveel ín te spannen, maar te ontspannen: om stil te worden, niets meer te doen en je activiteiten terug te brengen tot ‘alleen maar zitten en ademen’. 

Hoe zit dat dan?

Er is de inspanning om in je meditatie onbeweeglijk te zitten, stil te worden en te ’schouwen’ – een vorm van onthecht waarnemen – om helder te kunnen zien.
Om zodoende niét te doen wat we altijd al doen: van alles zitten te regelen, te controleren en te beveiligen, op te lossen, piekeren…al die dingen die we in ons ‘normale’ leven al doen en waardoor we ons soms zo geleefd kunnen voelen. 

Dat kost moeite en inspanning omdat onze automatische piloot meteen op die activisten-stand springt als je even niet oplet. Wakker zijn is inspanning.
Maar in die inspanning kan dan een grote ontspanning ontstaan, omdat je even ontslagen bent van alle ‘normale’ perikelen en beslommeringen.

En verder is er de inspanning om je geest te richten, te focussen op iets anders:
op dát wat niet geconditioneerd is, maar vrij. De ruimte in onszelf, de openheid.
En precies dáár ontstaat de ruimte en de ontspanning.

Kortom: we moeten iets dóen om het níet-doen de ruimte te geven.
Zo doen we dus twee dingen tegelijk.
Of feitelijk maar één ding: de ontspanning kunnen we niet ‘doen’, maar ontstaat vanzelf in die inspanning.

De keuze om die inspanning – de wilskracht zo je wilt – te leveren komt voort
uit iets echt helder zién; zo helder dat je niet anders kunt dan volgen.

Zoals mensen van het roken afkomen omdat iets werkelijk tot ze doordringt;
niet omdat ze het moéten maar omdat het volstrekt helder is geworden.

In Zen leren we om de paradoxen in ons leven – de schijnbare tegenstellingen – helder te zien en daarbinnen te handelen. Tegelijk!
Zo ook hier: grote inspanning én grote óntspanning.

Ik hoorde ooit van een ouderwetse gymnastiekvereniging met de naam: DIO;
dat betekende: Door Inspanning Ontspanning.

De wijsheid ligt op straat.