Koans zijn overgeleverde zenverhalen die altijd gaan over een bevrijdende ervaring. Bevrijding van het benauwende ik-perspectief, dat vrijwel altijd op zoek is naar winst en bang is voor verlies en daardoor vaak in de knel raakt.
En als we in de knel raken door wat dan ook, verliezen we onze energie en moed om de dingen aan te gaan die we tegenkomen in ons leven.
Eén zo’n koanverhaal gaat zo:
Een monnik vroeg aan Joshu: Ik ben pas aangekomen in dit klooster.
Wilt u mij onderrichten? Heb je je rijstepap al gegeten? vroeg Joshu.
De monnik zei: jazeker. Ga dan je kommetje afwassen, zei Joshu.
Op dat moment kreeg de monnik inzicht.
Dit lezende denk je toch: wat gebeurt hier en welk inzicht kreeg die monnik dan wel?
We kunnen er alleen maar naar gissen. Ik was er niet bij en al was ik er bij: je kunt niet in iemands hoofd of hart kijken. Zo’n koan is altijd een uitnodiging om te onderzoeken wat er gebeurd kan zijn door jezelf te verplaatsen in de situatie. Dus niet alleen door het te bedenken, maar je echt ín te leven en als het ware lijfelijk mee te maken.
Het verhaal biedt verschillende invalshoeken.
Om te beginnen: het lijkt te zitten in de directe communicatie zonder dat daar iets tussen zit. De monnik had bij de eerste uitspraak van Joshu al kunnen ervaren waar het over gaat. Maar omdat hij het niet meteen zag, kwam Joshu met zijn tweede zet: spoel dan je koppie af. Nu begreep de monnik pas dat hier het onderricht in zat: in deze directe ontmoeting.
De ogenschijnlijke simpelheid en directheid laat zien waar het in Zen – feitelijk in ons hele leven – over gaat: om ín te gaan op wat er aan de orde is, direct, zonder aarzelen.
‘Just do it’ zeggen we dan graag, maar er zit een angel in dat ‘just’.
Want zo ‘gewoon’, zo ‘just’ is dat niet. Het lijkt eenvoudig en dat ís het feitelijk ook, maar tegelijk blijken er altijd spaken in het wiel gestoken te worden. Meestal omdat we nogal veel met onszelf bezig zijn en verward raken in gráág of juist niét willen of het niet weten. En zo ontstaan er de bekende weerstanden en bijbehorende riedels: nu even niet…straks….ik heb andere/betere/belangrijkere dingen te doen; of je hebt gewoon de wil en energie niet om in te gaan op wat zich voordoet.
Dit gebrek aan energie is de moeite waard om te onderzoeken. Los van puur fysieke aandoeningen, zoals bijvoorbeeld long covid, blijkt het vaak te maken te hebben met het zeurende, onderhuidse, ontevreden gevoel dat we kunnen hebben omdat we een aantal dingen van ons leven niét willen of niet (hebben) kunnen aangaan.
Het – vaak onbewust – verdringen, voor je uitschuiven, ontlopen en je toevlucht zoeken in afleidingen en uitvluchten, doet een aanslag op je energie. Want het blijft wél in je brein rondspoken en schuren. En als zich dat maar genoeg ophoopt, vreet het energie en kan het je zelfs in een depressieve toestand brengen.
Het enige wat echt werkt is het onder ogen zien van wat er speelt en kijken wat dat doet met je. In dit koanverhaal gaat het o.a. over direct doen wat er te doen is. Dat doen hoeft niet persé een handeling te zijn; het is meer de innerlijke houding om niet langer weg te lopen.
Soms wordt de koan ook wel gezien als een vraag naar inzicht. Heb je al inzicht, heb je er al iets van begrepen, heb je ‘verlichting’ ervaren? En als de monnik dat vervolgens beaamt zegt Joshu: spoel dan je koppie uit.
De aanmoediging om je vrij te maken geldt dus zowel voor je sores en zorgen, als ook voor je ’verlichting’ of ‘het’ denken te weten. Omdat beide je verhinderen te zien en te doen wat er aan de hand en nodig is.
Zenleraar Gerry Shishin Wick wijdt een paar mooie zinnen aan deze koan:
‘ In deze koan moedigt Joshu ons aan om onze weerstand op te geven en alles aan te gaan wat een bevrijd leven blokkeert. Om ons dagelijkse leven ‘gewoon’ te leven. En dat is waarlijk buitengewoon.
We moeten Zen niet verwarren met een bijzonder of ‘zenachtig’ leven waarin we ons gedragen als zenstudent of – nog erger – als zenleraar of meester. In deze koan vertelt Joshu ons om op volstrekt natuurlijke wijze uitdrukking te geven aan ons leven en dat te laten uitvloeien in onze dagelijkse activiteiten. Realiseer je dat Zen niets anders is dan wat je doet en bent: in de ochtend, de middag en de nacht. Zolang je denkt dat het ergens anders te vinden is, zit je opgesloten in een doolhof zonder uitgang.’ (Wick: The book of equanimity)
Is het dan zo simpel, zo concreet en direct? Feitelijk wel.
Maar omdat wij nogal gecompliceerd zijn (geraakt) en onze eenvoud en directheid veelal kwijt zijn, is dit niet langer meer vanzelfsprekend. En moeten we blijkbaar iets ónnatuurlijks doen om weer wat van die natuurlijkheid terug te krijgen.
De beoefening van zazen is in dat licht gezien eigenlijk niks anders dan het cultiveren en beoefenen van deze innerlijke houding om onszelf er aan te blijven herinneren. Zodat we het langzamerhand ook echt gaan vertrouwen en laten doorwerken in ons dagelijkse concrete bestaan.
