Een tamelijk oud liedje alweer van de Vlaamse troubadour Jan de Wilde dat in zijn eenvoud ook iets laat horen van ons bestaan. Luister het hier als je wil (2.37) (tekst onderaan)
De tekst van ’Huis van bewaring’ spreekt voor zich en je hoeft niet ver door te denken of te luisteren en je hoort dat dit ook over ons gaat, over een situatie waar we zelf ook zo makkelijk in verzeild kunnen raken: in ons eigen huis van bewaring.
Dit is onvermijdelijk: als we ter wereld komen en opgroeien hebben we een huis van bewaring nodig waar we ons veilig kunnen voelen in een wereld die lang niet altijd veilig is. Hoe fijn de omgeving ook is waarin je opgroeit: we lopen allemaal deuken en trauma’s op in de loop van ons leven. Groeien gaat van ’au’. En we hebben huizen van bewaring nodig. Bruno Paul de Roeck – een Vlaamse Gestaltherapeut – sprak over een loernoot: zo’n walnootschelp waarin we ons kunnen terugtrekken en van daaruit kunnen loeren naar en leren van de wereld.
Het kan heel lang duren voordat er iets doordringt van het feit dat ons bestaan open is, ongrijpbaar mysterieus en niet te ’bewaren’, c.q. in te metselen is. Sowieso niet omdat het leven stroomt en onze situatie eindeloos alsmaar verandert.
Onze beoefening gaat over steeds meer in die stroom van ons leven binnen te gaan. Mijn leven, – Hét leven – te leven zoals het zich aandient. Iedereen weet hoe lastig dit kan zijn, vooral in momenten dat het leven tegenzit of lijden op je pad brengt. Regelmatig het gevoel geeft van: niet te doen!
Toch moeten we het doen, er is niets anders dan precies dit. En dan
is de uitdaging je leven aan te gaan zoals het komt en gaat.
Er zijn allerlei ontsnappingsroutes om niet te ervaren wat zich aandient. Als het goed is, weten we heus wel welke wijzelf graag inzetten om onder te duiken. Overigens: er is ook niets mis mee om weg te duiken als dat nodig is. Wel van belang om te weten dan dát je dat doet: even de loernoot in of een time-out nemen in welke vorm dan ook. Kan ook heel gezond en weldadig zijn.
In het liedje wordt gezongen hoe wij eigenhandig ons inmetselen in de vermeende veiligheid van ons huis: mijn bezit, mijn identiteit, mijn (denken te) weten….Gelukkig is het cement niet altijd van goeie kwaliteit en ontstaan er breuken en gaten. Er komen barsten in ons bastion en door de confrontaties met de wereld en haar schepselen, worden we soms of verlokt of gedwongen naar buiten te komen.
En die bieden kansen op bevrijding. We doen ervaringen op waarin we de ontstane openheid kunnen voelen en ervaren, dwars door onze moeizame strubbelingen met het leven heen. Soms krijg je een steen op je op je kop of je stoot je tenen tegen het traliewerk. Soms doemt er een prachtig uitzicht op of een gezicht dat je raakt. Alles kan in principe een door- of uitbraak opleveren.
En wat mooi is in dit lied: er is een verlangen, een diepe wens om ons leven totaal te leven: ’toch hou je de hoop niet buiten
uit het huis van bewaring.’
En ’Want op den duur valt elke muur, zelfs die van het huis van bewaring.’ Dit gebeurt een keer, al is het maar bij ons sterven.
Maar we hoeven niet te wachten tot het zover is.
Een ouwe Zenmeester zei ooit: sterf nú, kom dan tot leven en doe wat je wil.
__________________________
Tekst:
De muizen hebben niet veel nodig om te berusten in hun lot;
ze leggen simpelweg hun pootjes in de handen van de goede God;
‘n zolder of ‘n schuur, wat brood, ‘n restje kaas, geen vallen en geen poezen in de buurt.
Maar zelfs de muizen voelen zich niet thuis in het huis van bewaring.
M’n vriend heeft er in al die jaren, geen spoortje van ‘n muis gezien;
ze vinden er geen enkel gaatje en weinig eten bovendien; geen regen en geen zon,
geen kind’ren en geen vrouw, alleen wat galmend ijzer en beton;
maar toch hou je de hoop niet buiten uit het huis van bewaring.
De mensen hebben eigenhandig de muren van hun huis gebouwd;
ook van hun huizen van bewaring, uit schrik, uit wraak, uit zelfbehoud;
maar kijk uit zuinigheid, hebben ze af en toe, cement gebruikt van slechte kwaliteit;
dus op de duur valt elke muur zelfs die van het huis van bewaring.
